In de jaren zestig van de vorige eeuw vond er op Noord-en Zuid-Beveland en op Walcheren een grote ruilverkaveling plaats, waarbij veel kleinschalig landbouwgebied in rap tempo omgezet werd in grootschalig landbouwgebied. Voor dat deze grote ingreep plaatsvond  kwamen er verspreid over de Bevelanden nog overal Steenuilen voor. Kleine, door heggen omzoomde akkers, boomgaarden met hoogstamfruitbomen en notenbomen maakten plaats voor uitgestrekte akkers, laagstam boomgaarden en bessenteelt. Net als voor vele andere holenbroeders werden de mogelijkheden om in natuurlijke holtes te broeden steeds minder vanzelfsprekend, omdat bijna alle fruitbomen met natuurholtes omgezaagd waren om plaats te maken voor uitgestrekte boomgaarden met laagstamfruit en uitgestrekte velden met zwarte bessen struiken.

Stichting Landschapsbeheer Zeeland zet zich in om het nog bewaard gebleven kleinschalig landbouwgebied te behouden en samen met boeren en buitenlui worden erven en landgoederen onderhouden en aangepast zodat o.a. de Steenuil daar weer op een natuurlijke manier kan gaan broeden. Achterstallig onderhoud leidt tot het verloren gaan van geschikte broedplaatsen. Het regelmatig knotten van knotbomen voorkomt situaties zoals hier op de foto is te zien.

Steenuilen zijn standvogels, ze blijven dus het hele jaar in onze provincie. Door ring- en zenderonderzoek is komen vast te staan, dat ze zich nooit ver van hun geboorte plek af, gaan vestigen. De sterfte onder de Steenuilen is groot, veel jonge Steenuilen halen het einde van het eerste jaar niet, worden slachtoffer van huiskatten, verkeer en strenge winters. De gemiddelde leeftijd van een volwassen (wilde) Steenuil is maar vijf jaar, dus het is belangrijk om goede broedresultaten te verkrijgen om zo de populatie in stand te kunnen houden. Maatregelen ter verbetering van de leefomstandigheden van Steenuilen op erven en landgoederen en het plaatsen van nog meer broedkasten kan leiden tot een grotere populatie, maar ook tot mogelijke uitbreiding van de soort richting Walcheren en West-Brabant.

 

 Foto Peter Boelee ©.

Om te weten te komen hoeveel Steenuilen er aanwezig zijn, werd jaarlijks door leden van de Vogelwerkgroepen gebruik gemaakt van de in heel Nederland toegepaste methode van het afspelen van de roep van het mannetje Steenuil op een geluidsdrager. Tot voor kort gebeurde dat met een cassetterecorder en werd deze methode dus “tapen” genoemd. Om de 500 meter laat men de roep horen en wordt er door een Steenuil terug geroepen, dan wordt die plek aangeduid als “bezet territorium”. Door deze methode werd vastgesteld dat er nog in een deel van Zuid-Beveland ten zuiden van de A 58 en op één plek op de grens van Zuid-Beveland met Walcheren Steenuilen voorkwamen.

Om voor vervangend ‘woonruimte’ te zorgen werden er door Stichting Landschapsbeheer Zeeland, (SLZ) tussen 1996 en 2007 op Zuid-Beveland en Walcheren 150 broedkasten voor Steenuilen geplaatst. Vrijwilligers van de vogelwerkgroepen controleerden deze kasten, maar door diverse omstandigheden was het niet altijd mogelijk dat alle kasten jaarlijks konden worden bezocht.
Om de bestaande populatie te behouden en mogelijk uit te laten breiden, kreeg Peter Boelee van Bureau Natuurbelevenis in 2007 opdracht om alle Steenuilkasten jaarlijks te controleren, schoon te maken en indien noodzakelijk te vervangen. Het werd hierdoor al gauw duidelijk dat Bevelandse Steenuilen de broedkasten als een geschikte vervangende woonruimte accepteerden. Waren er nog voldoende natuurlijke holtes aanwezig dan hadden ze die keus niet hoeven te maken. In het eerste jaar dat Peter was begonnen met de controles van de al eerder geplaatste kasten werd duidelijk dat in 6 kasten op Zuid-Beveland en 1 kast op Walcheren door Steenuilen werd gebroed, 23 jonge Steenuilen konden worden geringd.